zondag 7 mei 2017

​ Wandelingen door Nederland (1888, Haarlem) door J. Craandijk ​ ‘Want al wat uit de oudste, heidense tijd afkomstig is, zweeft voor ons als het ware in een dichte nevel, in een onmetelijke tijdsruimte. We weten dat het ouder is dan het christendom, maar of het een paar jaren of een paar eeuwen, ja misschien meer dan duizend jaar ouder is, daarnaar kan men slechts min of meer raden’. Citaat: Rasmus Nyerup (directeur van het Deens Nationaal Museum), 1806 Aan het begin van de 19e eeuw waren er nog geen archeologen en de prehistorie moest nog ontdekt worden. Christian Thomsen, ook een Deen, ordende de bodemvondsten van het museum, kwam tot een ordening van bepaalde groepen voorwerpen en maakte in 1836 zijn drieperiodensysteem bekend. Hij verkondigde als eerste dat er achtereenvolgens een steentijd, een bronstijd en een ijzertijd waren geweest. In Nederland waren in de loop der tijd op diverse plaatsen al voorhistorische en Romeinse voorwerpen opgegraven, maar het eerste onderzoek begon pas nadat in 1818 het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden was opgericht. De directeur, Caspar Jacob Christiaan Reuvens, werd tevens de eerste en enige professionele archeoloog van ons land. Het aantal opgravingen bleef vooralsnog bescheiden; oudheidkundige vondsten kwamen tot in 20e eeuw meestal bij toeval of tijdens graafwerkzaamheden tevoorschijn. Toen de auteur van ‘Wandelingen door Nederland’, J.Craandijk, op Rozendaal verbleef vernam hij dat enige jaren geleden op de heide bij Deelen door de Leidse archeoloog Pleyte en vijftiental urnen waren opgegraven en ‘de voorraad aldaar nog niet zou zijn uitgeput’. Met een gezelschap uit de omgeving trok Craandijk er op uit om daar hun fortuin te gaan beproeven. Er werden twee wagens gereed gemaakt voor de gastheer, zijn gasten en de nodige proviand, waarna men zich op weg naar Deelen begaf. Wanneer zij aankomen staan de mannen uit de Imbosch al gereed. ‘Zij maken front met de geschouderde spaden. We hebben er al een klinkt het bemoedigend. Een fraaie goed bewaarde urn is het. Deze kinderen der heide hebben een zeker instinct. Hier zal wel iets zijn zeggen zij. Spoedig zien zij of er kans is iets te vinden’. Wanneer het gezelschap ’s avond s in Rozendaal is teruggekeerd worden de vondsten uitvoerig bestudeerd. ‘De gezellige lamp verspreidt haar stralen over de groote tafel, waarop de gevonden overblijfselen uit overoude tijden staan. De ruwe bewerking der met de hand gevonden en lichtgebakken urnen wijst op een lagen trap van ontwikkeling’, is de mening van het gezelschap. Het boek Wandelingen door Nederland van J. Craandijk is tot en met 31 mei te zien in Erfgoedcentrum Rozet te Arnhem ​ Bekijk dit boek in de catalogus ​​ Wandelingen door Nederland Auteur: J. Craandijk Uitgave: Haarlem 1888 Vindplaats: Rozet, magazijn 300, 61 F 15 Ruud Borman, archeoloog en historicus, duikt in de omvangrijke boekencollectie van de Gelderland Bibliotheek in het Erfgoedcentrum te Arnhem. Bijzondere vondsten licht hij voor je uit. Ruud Borman is naast archeoloog en historicus ook directeur en conservator in een aantal musea geweest en is gespecialiseerd in Keltische mythologie. Ook heeft hij een aantal boeken en vele artikelen geschreven over zijn vakgebied. Bekijk hieronder de bijzondere vondsten van Ruud Borman. Wil je ze in het echt bewonderen? Kom dan naar het Erfgoedcentrum!

dinsdag 31 januari 2017

STEENKRINGEN, STEENRIJEN EN STENEN GRAFKAMERS

'Hoary and lichened by age, grim and fretted by a thousand storms, our ancient megalithic monuments are still numerous, massive and full of mystery'(Walter Hohnson, 1908) Toen ik tijdens de eerste geschiedenisles de leraar over hunebedden hoorde vertellen kreeg ik de indruk dat de bouwers als primitieve ongeletterde barbaren werden gezien. Ze mochten dan wel enorme keien kunnen verslepen en op elkaar stapelen maar verder bleek er in hun samenleving weinig te zijn wat beschaving kon worden genoemd. Ze waren boeren, gebruikten vuurstenen werktuigen en maakten versierde potten die ze meegaven aan de doden als ze in het hunebed begraven werden. Eigenlijk zou het nog 3000 jaar duren voordat er licht kwam in de prehistorische duisternis van de lage landen. Pas met de komst van de Romeinen kon er van beschaving gesproken worden. De Romeinen schreven immers en legden wegen en steden aan. De hunebedbouwers waren toen al lang vergeten en met hen alle andere mensen die hier sindsdien gewoond hadden. De prehistorie, de tijd waarin er geen geschiedenis werd geschreven, was in de vergetelheid geraakt en zou dat tot na de Middeleeuwen blijven. Het woord prehistorie werd overigens pas in de 19e eeuw voor het eerst gebruikt. Het was een soort verzamelnaam voor alles wat tot het 'heidense' verleden behoorde, oftewel de tijd die voorafging aan het Christendom. De eerste christenen wilden niets weten van de erfenis van het verleden. Heilige wouden werden omgehakt en heilige plaatsen als bronnen en grote stenen werden verboden gebied. In de 19e eeuw moest de prehistorie opnieuw worden uitgevonden. Om dat enorme tijdperk ruwweg in te kunnen delen scheidde een Deense museumdirecteur de archeologische vondsten in zijn verzameling in stenen, bronzen en ijzeren voorwerpen en werd sindsdien gesproken van steentijd, bronstijd en ijzertijd. De vroege oudheidkundigen werden keer op keer geconfronteerd met vondsten die steeds ouder bleken te zijn. Er was enorm veel weerstand tegen de ouderdom van de vondst van de eerste Neandertaler bij Dusseldorf en later tegen de ontdekking van rotsschilderijen uit de IJstijd in Frankrijk en Spanje; rendierjagers konden onmogelijk kunstenaars zijn geweest. Het is nog maar een halve eeuw geleden dat de hunebedbouwers, in ieder geval in het onderwijs, gezien werden als de eerste bewoners van ons land. Nu gaan we er van uit dat de eerste mensachtigen hier al voor de ijstijden leefden Toen ik het eerste hunebed zag kon ik me niet meer voorstellen dat de bouwers primitieve barbaren waren geweest. Het bouwen van zo'n stenen graf was een enorme klus waarvoor veel organisatie nodig was. In Drenthe alleen werden er al tientallen gebouwd en dan hebben we het nog niet over de talloze identieke grafkelders die in dezelfde tijd in Noord-Duitsland, Denemarken en een deel van Polen werden aangelegd. In dit enorme gebied gebruikte men min of meer identieke gebruiksvoorwerpen en er was ook duidelijk sprake van internationale handel in vuurstenen bijlen en barnsteen . Vele jaren later kreeg ik pas werkelijk een idee van de impact van de megalithische monumenten toen ik in het Gemeentemuseum Arnhem in samenwerking met Britse-, Ierse-, Belgische-, Franse- en Duitse colega's een tentoonstelling samenstelde over 'De Fascinerende Wereld van Stonehenge'. Het bouwen met grote stenen hield namelijk niet op na de aanleg van de hunebedden; er zou nog eeuwenlang, tot diep in de Bronstijd, gesjouwd, gesleept en gebouwd worden met enorme keien en cultuurgebied wat er bij hoorde werd steeds groter. Na de hunebedbouwers kwamen de mensen van de bekercultuten die hun doden in grafheuvels begroeven. Van Ierland tot in Tjechoslowakije en van Nederland tot in Zuid-Europa werden megalithische monumenten gebouwd waarbij de klokbeker als vrijwel overal voorkomende grafgift diende. Er was sprake van uitwisseling van goederen, rituelen en grafgebruiken over duizenden kilometers. De contacten verliepen voor een belangrijk deel via de Nederlandse delta en de sacrale gebieden van Stonehenge en Avebury in Zuid-Engeland. Een handelsreiziger in die tijd zou overal in West- en Midden-Europa op bijzondere megalithische monumenten zijn gestuit: steenkringen en -rijen in Ierland, Groot Brittannie en Bretagne, stenen tempels op Malta en in alle landen alleenstaande stenen en grafkelders. Na eeuwen raakte deze wereld in verval en werden de stenen en grafheuvels steeds meer met verwonderde blikken bekeken. Hun betekenis en functie waren vergeten en naarmate de tijd voort schreed ontstonden de verhalen over een grootse, wonderbaarlijke wereld die verloren was gegaan. In Groot Brittannie en Ierland staan de stille getuigen daarvan niet alleen in bewoonde gebieden maar ook in tegenwoordig vrijwel verlaten, desolate gebieden en op dunbevolkte eilanden. Sinds de komst van de Kelten worden ze gezien als de woonplaatsen van het elfenvolk, de Tuatha de Danann, en in hun oeroude mythen wordt gesproken van de toegangspoorten naar de prachtige wereld van weleer.