zaterdag 14 januari 2017

CORNWALL. LAND VAN OUDE STEENKRINGEN EN GRAFTOMBEN, HEILIGE BRONNEN EN KAPELLETJES EN NATUURLIJK KONING ARTHUR

Al in de Bronstijd werden in het prachtige Cornwall steenkringen en graftomben van enorme keien aangelegd. Het land wemelde van de heilige bronnen die gezien werden, evenals andere waterlichamen, als toegangspoorten naar de Andere Wereld. Eeuwenlang werden hier offers gebracht. Na de kerstening kregen de meeste de naam van een beschermheilige. Vanuit de bronnen lopen talloze beken via soms diepe kloven en hoge watervallen naar zee. In een van de kloven, Rocky Valley, even ten noorden van Tintagel, zijn twee labyrinten uit de Bronstijd in de rotswand gegraveerd. Tintagel is traditioneel de geboorteplaats van Koning Arthur, de laatste Keltische vorst. Zijn laatste veldslag streed hij bij Camlann waarbij hij zwaar gewond raakte en naar het eiland Avalon gebracht werd. Zijn zwaard Excalibur werd volgens de overlevering Bij Dozmary Pool terug gegeven aan de Vrouwe van het Meer.

maandag 19 december 2016

LEZING: TOVERIJ EN TOVERESSEN

Lezing:Toverij en toveressen. In heksenprocessen werd tot omstreeks 1600 zelden het woord ‘heks’ gebruikt. De vrouwen, bijna nooit mannen in Nederland, die van kwade toverij werden beschuldigd, werden vrijwel altijd toveressen genoemd. In Nederland werden ongeveer 250 vervolgden tot de brandstapel veroordeeld tussen 1470 en 1620. Vaak was er sprake van een kortstondige en lokale heksenjacht en veelal vond die plaats in tijden van rampen: oorlogen, stadsbranden, epidemieën, misoogsten en overstromingen (klimaatverslechtering). Toveressen werden als zondebokken aangemerkt. Ze hielpen bij ziekten en bevallingen en leefden meestal op afgelegen plaatsen. Om hun vaak zware leven enigszins te verlichten gebruikten ze moederkoorn en vliegenzwammen niet alleen als medicijn maar ook zelf om even de waan van alledag te kunnen ontvluchten. Ze voelden zich dan in een andere wereld wat door hun vervolgers werd uitgelegd als reizen naar de duivelse sabbat. Al in het vroege christendom beweerden mannen als Paulus dat vrouwen ondergeschikt aan hen waren en zich niet in het openbaar mochten uiten. Uiteindelijk leidde dat in Late Middeleeuwen tot de heksenwaan met talloze slachtoffers. In Nederland was in de 16e eeuw de arts Johan Wier de eerste die zich in woord en geschrift verzette tegen de vervolgingen van onschuldige vrouwen. Opvallend is dat hij een leerling was van Cornelis Agrippa, de raadsheer van keizer Karel V, die ook als magiër en alchemist bekend is geworden. Het gebruik van moederkoorn was al vanaf de IJzertijd bekend; de maaginhoud van veel veenlijken in Noordwest-Europa uit deze periode toont sporen hiervan aan. Er zijn meer subtiele sporen van tradities die tot het eind van de laatste IJstijd teruggaan en door de eeuwen heen overgedragen lijken te zijn tot in de tijd van de toveressen. Lezing: ‘Toverij en toveressen, achtergronden van heksenvervolging in Nederland’. Volksuniversiteit Arnhem. Aanmelding van tevoren. Maandag 16 januari 2017, 14-16 uur. Locatie Rozet-Kortestraat 16 Arnhem (5 minuten lopen vanaf het Centraal Station)

vrijdag 16 december 2016

DE GEHEIMZINNIGE PICTEN




Alhoewel Julius Caesar tot twee maal toe slag had geleverd met zijn legioenen in Brittannië zou het tot 43 na Christus duren alvorens de Romeinen begonnen met de onderwerping van dit eiland. Keizer Claudius zelf gaf daartoe het startsein. De weerstand van de Keltische Britten bleek hardnekkiger te zijn dan die waarop de Romeinen ruim een eeuw eerder in Gallië waren gestoten. Ook daar hadden de Kelten bijna tien jaar lang massaal verzet geboden tegen de vreemde overheersing totdat zij murw gevochten het hoofd in de schoot moesten leggen. In Brittannië had men een langere adem. Veroverde en ogenschijnlijk gepacificeerde gebieden kwamen plotseling weer in opstand tegen het nieuwe gezag. De legioenen marcheerden kriskras over het eiland om de ene na de andere rebellie neer te slaan.
Pas onder Agricola, die stadhouder was van Brittannië in de periode 78-84 na Christus waren de Romeinen zover noordwaarts opgerukt dat zij een poging konden wagen om het gebied dat nu Schotland heet te veroveren. Daar woonden de Caledonische Kelten. Binnen vier jaar werden hun stammen verslagen in de slag bij Mount Graupius en heel Brittannië leek veroverd te zijn. Agricola werd door Domitianus terug geroepen en binnen een generatie trokken de Romeinen zich terug tot de lijn Tyne-Solway, waar in de jaren 122-138 de bekende muur van Hadrianus werd gebouwd. Deze muur bleef bijna drie eeuwen lang de grens van het Romeinse Rijk in dit gebied.
Onder Antonius Pius, de opvolger van Hadrianus, probeerden de Romeinen opnieuw Schotland binnen te dringen. In 142 was Zuid-Schotland weer veroverd en werd langs de Forth-Clyde lijn de Antoniusmuur gebouwd. In 180 na Christus werd de Hadrianusmuur door verschillende stammen uit het noorden overschreden. De invallers richtten veel schade aan en versloegen meerdere Romeinse legers. Pas in 208 werd door keizer Septimus Severus een adequate tegenaanval ingezet. Hij forceerde een overwinning maar overleed reeds drie jaar later in York. Zijn zoon Caracalla trok zich met zijn troepen uit het veroverde gebied terug.Daarmee kwam een eind aan de laatste omvangrijke Romeinse poging om Schotland te veroveren. De Muur van Hadrianus werd opnieuw de rijksgrens. Minstens vier forten bleven in Zuid-Schotland behouden waardoor men toch nog enige invloed op het gebied hield Overigens was de verder vrijwel zonder incidenten.

In 297 noemen de Romeinen voor het eerst een nieuwe natie in het noorden, die van de Picten, de opvolgers van de Caledoniërs en hun bondgenoten. In de 4e eeuw zouden de Romeinen en Picten regelmatig met elkaar in botsing komen De keizers Constantius Chlorus en Julianus streden met wisselend succes tegen hen.
De Picten lijken uit het niets tevoorschijn te zijn gekomen. Vrijwel zeker mag worden aangenomen dat zij voortkwamen uit de oorspronkelijke bevolking van Schotland en dat ze voornamelijk in het oostelijk deel van het land gevestigd waren. Van nieuwkomers of invloeden van overzee lijkt geen sprake te zijn. Wellicht vormden zij een bundeling van Caledonische stammen die inzagen dat de Romeinse dreiging slechts door vereende krachten kon worden weerstaan.
Eenmaal uitgestreden tegen de Romeinen zagen zij zich geconfronteerd met vanuit Ierland binnengevallen Scoten die het land uiteindelijk zijn naam zouden geven. Na de krijgers van het 'groene eiland' volgden de tot het Christendom bekeerde Ieren. Vier eeuwen later verdwenen de Picten uit de geschiedenis. In het land waar zij woonden lieten ze talloze stenen achter met mysterieuze inscripties, vrijwel de enige tastbare bewijzen voor het feit dat ze ooit bestonden.

zondag 20 november 2016

OP REIS DOOR SCHEMERGEBIEDEN IN DE HISTORIE

Dagelijks bereikt ons nieuws over bijzondere gebeurtenissen of voorvallen uit de hele wereld. Sommige nieuwsfeiten zullen in de geschiedenisboeken terecht komen, andere zijn spoedig uit het collectieve geheugen verdwenen. Sensationele berichten zijn in toenemende mate onderhevig aan erosie van belangstelling. We worden overspoeld met spectaculair nieuws en vroeg of laat kijken we steeds kritischer en selectiever naar al die zogenaamde hoogtepunten in de actualiteit. Ondertussen dreigen echt belangrijke berichten van meer duurzame aard aan onze belangstelling te ontsnappen en op de achtergrond te geraken. Bijna dagelijks worden er interessante archeologische en historische ontdekkingen gedaan maar verreweg de meeste komen zelden in het nieuws. Dat is jammer omdat het vaak gaat om vondsten die een heel nieuw licht doen schijnen op culturen en hun prachtige, maar ook bizarre uitingen: soms dichtbij huis en een andere keer op slechts enige honderden kilometers afstand. Vaak zijn ze met raadsels omgeven: mystiek, magie en occultisme. Sommige vondsten gaan niet verder terug dan enige generaties geleden, andere stammen uit in nevels gehulde episoden van de prehistorie, soms gelegen in desolate gebieden. Van nu af aan neem ik je in mijn verhalen mee op mijn reizen door de schemergebieden van de historie. In tal van archieven en bibliotheken liggen geheimzinnige documenten of manuscripten op ontsluiting of vertaling te wachten. Menige bekende archeologische vindplaats is slechts ten delen blootgelegd. In de nog niet blootgelegde terreinen bevinden zich talloze objecten en fundamenten die ons beeld op het verleden danig kunnen veranderen. Ik ga er naar op zoek, Kriskras door Europa en rond de Middellandse Zee. Volg deze blog en je zult er versteld van staan hoeveel van het verleden nog verborgen of moeilijk toegankelijk is. Soms kunnen museumcollecties plotseling onttrokken worden aan het oog van de museumbezoeker, bij voorbeeld als er tijdens bezuinigingen besloten wordt om een museum op non-actief te stellen wat in de praktijk meestal betekent dat de beherende organisatie wordt opgeheven en de collectie achter slot en grendel gaat. Zoiets overkwam het Historisch Museum Deventer dat al sinds 1915 was ondergebracht in de monumentale Waag op de Brink. Prachtige schilderijen het stads- en IJsselgezichten, archeologische vondsten uit de binnenstad en aangrenzende Colmschate, waar een prehistorische nederzetting was opgegraven, zilverwerk en objecten van de industriële historie verhuisden naar depots in Zwolle. Een andere keer komen bij grootschalige opgravingen plotseling talloze sporen en gebruiksvoorwerpen van vroegere bewoning aan het licht zoals gebeurde tijdens de aanleg van de Betuwelijn. Er werden nederzettingen en graven uit de Nieuwe Steentijd, Bronstijd en IJzertijd gevonden en overblijfselen van Bataafse en Romeinse bewoning. Het ging om vele tientallen vindplaatsen langs het hele tracé van de spoorlijn. Veel kastelen verdwenen, meestal door oorlogshandelingen, in een tijd waarin dergelijke gebouwen nog niet werden geschilderd of getekend (dat begon pas echt in de 17e eeuw. Van slot Kell bij Doesburg bleef alleen maar een muurtje bewaard. Aan andere burchten herinneren alleen nog oude overleveringen zoals die van het slot de verloren gewaande kruisridder bij het plaatsje Didam in de Achterhoek. Wat verder te denken van andere plekken waaraan geheimzinnige sagen verbonden zijn zoals de Duivelssteen bij De Steeg op de Veluwe waar soms een merkwaardig licht gezien wordt. Het verleden kan in je achtertuin verborgen liggen, maar ook op eenzame heidevelden of bij ondoordringbare moerassen. Soms moet je er lang voor reizen om het te vinden en soms is het na lang zoeken te vinden in het gemeentearchief van je eigen woonplaats.

vrijdag 18 november 2016

DUISTERE RITUELEN IN HET VERLEDEN

In de jaren tachtig van de vorige eeuw las ik een aantal artikelen over archeologische ontdekkingen in Noordwest-Europa die mijn beeld tot dan toe van een idyllische prehistorische samenleving voorgoed verpulverden. Oudheidkundigen uit Duitsland, Oostenrijk en (toen nog) Tsjecho-Slowakije schreven over grootschalige mensenoffers tijdens het Neolithicum, de Bronstijd en IJzertijd en illustreerden hun theorieën met foto's die nauwelijks twijfel lieten bestaan over de bloeddorstige praktijken die in het verre verleden gangbaar waren. In Engeland was ik al eerder bewijzen van dergelijke praktijken op het spoor gekomen maar door deze nieuwe vondsten bleek dat ze ook in Noordwest- en Midden-Europa werden toegepast gedurende vele eeuwen. Ik nam contact op met de auteurs die blij waren dat ik er aandacht aan wilde besteden en enige van hen nodigden me uit om hun resultaten te komen bekijken. Mijn eerste reis ging naar Bonn waar in het Landesmuseum een deel van de in de 19e eeuw verworven collectie bodemvondsten opnieuw werd bestudeerd waarbij menselijke skeletdelen aan het licht waren gekomen die duidelijke sporen van geweld vertoonden. Samen met collega Helmuth Reichmann bekeek ik de scherp gevormde letselschade aan schedels en ribben; ze bewezen dat de slachtoffers de aanslag op hun leven met de dood hadden moeten bekopen. De overblijfselen waren in een offerput in de Eifel gevonden. Over de vondstomstandigheden was nauwelijks iets bekend. Op grond van recente opgravingen kon mijn collega bevestigen dat het hier inderdaad om de resten van geofferde mensen ging. Die conclusie kon destijds nog flinke kritiek van vakgenoten ontlokken. Tegelijkertijd kwamen andere archeologen in Nederland, Duitsland, Engeland en Denemarken bij hun onderzoek van veenlijken steeds vaker tot de conclusie dat het niet om gestrafte mensen ging maar om slachtoffers van offerpraktijken: de boodschappers die naar de goden werden gestuurd. Twee dagen later vervolgde ik mijn reis naar Asparn an der Zaya in het noordoosten van Oostenrijk waar in 1983 een nederzetting van de bandkeramische cultuur uit het Vroege Neolithicum was opgegraven. Het was de eerste landbouwerscultuur van Midden- en Noordwest-Europa die ook in Zuid-Limburg is aangetroffen. In graven waren schedels met sporen van dodelijke verwondingen vastgesteld die onder andere door stenen bijlen veroorzaakt waren. In totaal ging het om ongeveer 100 slachtoffers. Deze massamoord betekende het einde van de nederzetting die kort tevoren, tijdens de laatste fase van de cultuur, nog versterkt was. Onderweg in de trein las ik het macabere opgravingsverslag. Later bekeek ik in het museum van Asparn an der Zaya de trieste resten van de dorpsbevolking van zes duizend jaar geleden. De door bijlen toegebrachte wonden waren onmiskenbaar en men had zelfs nog enige van deze moordwapens terug gevonden. Ik sprak met conservator Gabrielle Reiner over de bizarre vondsten. We hadden beiden geen logische verklaring voor een massamoord in deze fase van de prehistorie. Later leerde ik door vele nieuwe archeologische ontdekkingen dat massamoorden en mensenoffers in het verre verleden niet ongebruikelijk waren.