maandag 17 februari 2014

SACRAAL AVEBURY







Van welke kant je Avebury ook nadert, langs alle wegen er naar toe ontrolt zich een landschap dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen. Vanuit het westen en oosten rijdt je over de voormalige Romeinse weg langs Silbury Hill, de grootste kunstmatige heuvel van Europa die omstreeks 2700 voor Christus is aangelegd met 325.000 kubieke meter kalkbrokken. De aanleiding voor de bouw is nog steeds een raadsel ook al bestaan daarover natuurlijk een aantal theorieën.
Wie vanuit het zuiden Avebury nadert passeert eerst de Wansdyke die in de Vroege Middeleeuwen mogelijk een Saksische(Wodan) verdedigingslinie was.Vervolgens duiken overal langs de weg tot hoog op de hellingen grafheuvels op. Wanneer de akkers braak liggen zijn ze het best herkenbaar omdat ze scherp afsteken tegen het landschap van witte kalk en donkere vuursteen. Na nog enige kilometers wordt ook de top van Silbury Hill zichtbaar
Vanuit het noorden beland je plotsklaps in de grootste steenkring van Europa; je rijdt er nota bene dwars doorheen. Je ziet in het voorbijgaan een enorme droge gracht en ringwal rond de overgebleven stenen van dit indrukwekkende monument. Het is geen stenen constructie zoals Stonehenge. Elke steen is anders en bijzonder qua uiterlijk en omvang en toch was de steenkring ooit een sacraal geheel. Wie deze magische plek betreedt voelt zich klein worden en komt onder de indruk van het enorme werk dat hier is verzet. Dat een groot aantal stenen is gesloopt doet er eigenlijk niet toe. Wie een wandeling maakt over de ringwal voelt dat de indruk en uitstraling van deze bijzondere plaats enorm moet zijn geweest en nog steeds is. De prestatie is des te indrukwekkender als men weet dat Silbury Hill, dat even zuidelijker ligt, min of meer gelijktijdig is aangelegd.
Voordat deze grote werken tot stand kwamen ontstond op Windmill Hill, even ten noordwesten van de steenkring een van de eerste agrarische nederzettingen van Groot Brittannië. De bewoners legden ten zuiden van Silbury Hill een enorm grafmonument aan: West Kennet Long Barrow, een bijna 100 meter lange heuvel met aan de oostzijde een stenen grafkamer. Archeologen nemen aan dat deze vroege boeren hun doden in de vrije natuur op houten stellages aan de elementen prijsgaven. De overblijfselen werden deels gebruikt om hun nederzetting te markeren, wellicht als beschermers, en deels bijgezet in hun grafkamer.
Omstreeks 2000 voor Christus raakten de megalithische monumenten in onbruik. Immigranten van de klokbekercultuur lieten zich voortaan in grafheuvels begraven en gaven daarmee het landschap van Avebury een extra dimensie. Langs de oeroude Ridgeway zijn ze vanaf grote afstand, vaak door een groep bomen omgeven, te zien. Ook op andere markante plekken bij Avebury markeren ze dit indrukwekkende sacrale landschap.

woensdag 12 februari 2014

HEKSENVERVOLGINGEN, MOEDERKOORN, JEROEN BOSCH EN VEENLIJKEN

Heksenvervolgingen vonden vooral in angstige tijden. In oorlogen, na misoogsten, de uitbraak van een besmettelijke ziekte en andere rampen regeerde de angst en werd gezocht naar zondebokken. Vaak waren dat magiers en tovenaressen die weliswaar in elk dorp te vinden waren maar toch als 'andere' mensen bekeken werden. In rustige tijden maakte men gebruik van hun kennis van genezende kruiden en andere helende middelen, maar bij rampen zag men hen als degenen die ongeluk en mislukte oogsten veroorzaakten. Het eten van verrot graan(moederkoorn), vooral rogge, bracht ernstige krampen en het samentrekken van de bloedbaan teweeg waardoor lichaamsdelen konden afsterven. De gifstoffen bewerkstelligden ook ernstige hallucinaties en uiteindelijk krankzinnigheid. Deze verschijnselen werden ergotisme of St.Anthoniusvuur genoemd.Er wordt verondersteld dat de schilder Jeroen Bosch er in zijn jeugd kortstondig aan geleden heeft. Ook heeft hij waarschijnlijk de grote stadsbrand van 's Hertogenbosch in 1463 meegmaakt. Wellicht waren deze ervaringen de reden dat hij veel branden en voorstellingen van de hel in zijn schilderijen verwerkt heeft. De gevolgen van ergotisme zijn in een aantal gevallen toegeschreven aan het werk van heksen, o.a. in Salem(V.S.), die daardoor geslachtofferd werden. Toch waren de verschijnselen van moederkoorn in de late middeleeuwen niet onbekend bij medici en alchemisten. Verstrekt in een geringe dosis kon de gifstof zelfs helend werken. Frappant is dat men al de prehistorie over deze kennis beschikte. Archeologen hebben vastgesteld dat de maaginhoud van opgegraven veenlijken uit Engeland en Ierland sporen van ergot bevatte. De slachtoffers waren drievoudig vermoord door middel van een harde klap op hun hoofd, een steek met een scherp wapen in hun borst en wurging met een touw. Heeft men destijds deze ellende willen verzachten door hen in een hallucinerende waan te brengen waardoor de pijn niet of nauwelijks meer gevoeld werd?

zondag 9 februari 2014

EEN BLOEDDORSTIGE GRAVIN

In de Kleine Karpaten ligt, niet ver van de grens met Tsjechië, het Slowaakse dorpje Cachtice. Deze plaats zal maar weinig mensen iets zeggen en is dan ook allerminst een toeristische bezienswaardigheid. Dat er toch regelmatig bezoekers verschijnen heeft dan ook een andere oorzaak: een kasteelruïne, die enige kilometers ten noordwesten van Cachtice gelegen is. Vier eeuwen geleden stond hier een onneembaar slot waar Elisabeth(Erzsebet) Bathory resideerde. Zij is de geschiedenis in gegaan als de bloedgravin die honderden meisjes martelde en vermoordde.

Kasteel Cachtice maakte in de Middeleeuwen deel uit van een serie versterkingen aan de westgrens van het Koninkrijk Hongarije. Door oorlogshandelingen in 1670 en 1708 raakte het slot zwaar beschadigd en verviel daarna tot een ruïne. Een 19e eeuwse foto toont grauwe muurresten op een boomloze heuveltop, een desolaat oord dat beelden op roept van een gruwelijke voorgeschiedenis.
Niet voor niets is deze bloeddorstige gravin vaak in een adem genoemd met de 15e eeuwse heerser over Walachije in Roemenië, Vlad Tepes, die we beter kennen als graaf Dracula. Vast staat dat telgen van beide adellijke geslachten in hun turbulente tijd, vol oorlogshandelingen, met elkaar van doen hebben gehad.
Elisabeth Bathory werd geboren in 1560. Haar ouders behoorden tot de oudste en rijkste families van Hongarije. In 1575 huwde ze met Ferencz Nadasky die in 1578 legeraanvoerder werd van de Hongaarse troepen in hun oorlog tegen de Turken, die toen tot in Midden-Europa waren doorgedrongen. Nadasky was een moedige maar ook wrede legeraanvoerder. Zijn huwelijksgeschenk aan Elisabeth was kasteel Cachtice dat hij vlak voor zijn dood(1604?) kocht voor 36.000 goudstukken van keizer Rudolf ll.
In Elisabeth's milieu zouden al vroeg duistere personen zijn opgetreden. Een oom was bekend als duivelsaanbidder en sommige andere familieleden waren krankzinnig of pervers. Een manlijke bediende bracht haar in occulte sferen en een tante zou haar de 'genietingen' van martelingen hebben bij gebracht.

Wanneer Elisabeth met haar eigen duistere praktijken begonnen is, is onbekend. Ze moet een mooie en intelligente vrouw geweest zijn die bang was om ouder te worden. Ze had een bijna transparante huid die sterk contrasteerde met haar donkere haar. Haar originele portret van 1585, dat daarna vaak gekopieerd werd, is verloren gegaan.
Volgens een hardnekkig verhaal sloeg ze een van haar bediendes eens zo hard dat ze het meisje ernstig verwondde waardoor er bloedspatten op haar huid kwamen. Het viel haar later op dat die plekken er jonger uit leken te zien waardoor er bij haar een waanidee ontstond dat maagdenbloed haar jong kon houden.
Al snel bleken wrede vrouwen om haar heen bereid om haar te steunen in haar bloeddorstige denkbeelden. Zij stroopten de omgeving af op zoek naar boerenmaagden die ze op vreselijke wijze vermoordden zodat de gravin in hun bloed kon baden en ervan kon drinken.
Haar echtgenoot en familie schijnen op de hoogte te zijn geweest van haar gruwelijke praktijken maar grepen niet in. Het verhaal gaat dat de gravin haar kasteel niet meer kon verlaten zonder gewapend escorte omdat de onwonende boeren al lang angstige vermoedens hadden over het lot van hun verdwenen dochters. Er was voor hen niemand waarbij zij zich konden beklagen, laat staan dat ze een gravin konden beschuldigen.

Elisabeth werd op den duur overmoedig en liet ook dochters van aanzienlijke families, zogenaamd voor leerzame doeleinden, naar haar kasteel komen. De nieuwe slachtoffers werden op dezelfde beestachtige wijze behandeld en afgemaakt als de boerendochters eerder. Enige van hun dode lichamen werden over de kasteelmuur gegooid. Toen Elisabeth hiervan hoorde was het te laat. Dit keer ging het niet meer om simpele boerenmeisjes. Nu waren er adellijke slachtoffers in het geding en daarmee had ze een fatale grens overschreden.
Koning Mathias ll van Hongarije beval graaf Thurzo, Elisabeth's neef, om het kasteel te onderzoeken. Op 30 december 1610 vonden soldaten in en rondom het kasteeltientallen slachtoffers.
Er volgden processen met afschuwelijke getuigenissen. Elisabeth's medewerksters werden verbrand of onthoofd. Elisabeth zelf bekende geen enkele schuld. Ze werd ingemetseld in een kamer van haar slot met in de muur slechts een klein gat om haar van eten en drinken te kunnen voorzien. Op 21 augustus 1614, vier jaar na haar opsluiting, overleed ze.

maandag 3 februari 2014

HEKSENVERVOLGINGEN EN EERHERSTEL VAN DE SLACHTOFFERS

Het is nog maar enige eeuwen geleden dat in Europa op gezag van de kerk van Rome de jacht op heksen geopend werd. Met het handboek 'De Heksenhamer' dat aan het eind van de 15e eeuw door Henricus(Kramer)Institoris geschreven werd kon de kerkelijke inquisitie ruim 100.000 vermeende heksen gedurende twee eeuwen lang blootstellen aan onmenselijke ondervragingen en folteringen. Velen eindigden op de brandstapel. Het waren vrouwen die de geneeskunst met kruiden en andere natuurlijke middelen beheersten en daarmee concurrenten waren van medici die officieel geschoold waren. Het waren echter niet alleen vrouwen maar ook mannen, rijk en arm en uit allerlei bevolkingsgroepen die voor heksen werden uitgemaakt. Vaak begon het met roddel, voortkomend uit argwaan en jaloezie, en als de achterklap eenmaal op gang was gekomen werden de zondebokken van oorlog, misoogst en besmettelijke ziekten voor het gerecht gesleept waar ze na folteringen andere 'heksen' aanwezen die op hun beurt weer dezelfde martelgang ondergingen. Al in de Vroege Middeleeuwen werd er tijdens de kerstening geschreven over heksen, vaak in verband met oude heidense plaatsen waar nog rituelen werden gehouden. De kerk richtte zich echter in eerste instantie op de strijd tegen ketters zoals de katharen in Zuid-Frankrijk. Tot aan het midden van de 15e eeuw eeuw waren heksenprocessen uitzonderingen, maar vanaf de 16e eeuw werd de inquisitie in heel West- en Midden-Europa actief. Vooral in Zuid-Duitsland vilen talloze slachtoffers. Toch bleef er altijd twijfel bestaan over de zin van de vervolgingen. Geleerden van naam konden de hekserij immers niet bewijzen. In de loop van de 17e eeuw verdween de heksenwaan geleidelijk. Nederland was een van de eerste landen waar dat gebeurde. De vervolging had hier nooit op grote schaal plaatsgevonden maar er moeten toch zeker 250 'heksen' op de brandstapel vermoord zijn. In de afgelopen decennia zijn heksenmusea ontstaan in Engeland, Zwitserland, Frankrijk, Spanje en IJsland. Ook zijn er in verschillende Europese landen gedenkmonumenten opgericht en soms zelfs gebouwd. Het wordt tijd dat de heksen die op vreselijke wijze gefolterd en vermoord zijn overal eerherstel krijgen, bijvoorbeeld door hun namen weer te noemen en op te schrijven in gedenkregisters en -monumenten. VOLGENDE KEER AANDACHT VOOR DE OORZAKEN VAN DE VERVOLGINGEN

vrijdag 31 januari 2014

DE BOOGSCHUTTER VAN STONEHENGE




Uit het land van de besneeuwde bergen was hij gekomen om een lange reis te maken naar het grote eiland aan de overzijde van de zee. Onderweg verbleef hij in de nederzettingen die op zijn route lagen en waar hij een bekende en graag geziene gast was. Hij was immers de handelsreiziger die kostbare waren uit verre landen meebracht. Menige dorpsbewoner wiep begerige blikken op zijn uitgestalde koperen dolkjes en gouden sieraden en men was vol verbazing over zijn vaardigheden als metaalsmid.


Daarnaast was hij ook nog een trefzekere boogschuter die met zijn pijl en boog menig stuk wild wist te verschalken.


Na vele maanden bereikte hij de kust en na de oversteek was hij nog ruim een week onderweg voordat hij de grote ronde stenen tempel bereikte. Hij was er eerder geweest en wist van de geneeskrachtige werking die van de kleinere stenen uitging. Hij hoopte dit keer op genezing van zijn kwalen.




Het zou zijn laatste reis worden. De metaalsmid werd met zijn kostbare handelswaar, pijl en boog en drie versierde bekers van aardewerk niet ver van de tempel begraven. In 2002 werd zijn graf in de omgeving van Stonehenge bloofgelegd en al snel door de archeologen beschouwd als één van de belangrijkste prehistorische vondsten van Groot Brittannië.





<



woensdag 29 januari 2014

DE FASCINERENDE WERELD VAN STONEHENGE


Op een zomerse dag is het al vrij laat in de avond als de stilte over de vlakte van Salisbury Plain in Zuid-Engeland neerdaalt. De laatste zonnestralen verlichten nog even de westelijke monolieten van het beroemde Stonehenge, maar donkere schaduwen hebben al bezit genomen van de rest van de steenkring. Het is bijzonder om er op dit tijdstip te zijn. De toeristen zijn vertrokken en er passeren nog maar weinig auto's
In het weinige licht dat er nog is dwingt het silhouet van dit bijzondere monument nog altijd ontzag en bewondering af. Er is heel veel geschreven over het hoe en waarom van Stonehenge maar als je er 's avonds laat vrijwel alleen naar staat te kijken lijkt het alsof je even een beetje in de huid van de bouwers kunt kruipen. Als je je alleen al probeert voor te stellen hoe de stenen over enorme afstanden naar deze plek werden getransporteerd, en vervolgens bewerkt en opgericht werden met de beperkte middelen van destijds, moet je al vaststellen dat dit een prestatie is waarvan we ons de impact nauwelijks kunnen voorstellen. De grootste stenen van gemiddeld 50 ton werden over een afstand van 40 kilometer versleept, de veel kleinere 'blue stones' werden uit Wales gehaald. We praten over ruwweg 2000 voor Christus..............
Er zijn meer vragen dan antwoorden. Hoe lang duurde het transport van de stenen, wie hadden de leiding en wat beoogde men met deze gigantische onderneming?
De aanwezigheid van talloze grafheuvels en andere indrukwekkende overblijfselen in de omgeving uit de tijd van de bouwers van Stonehenge maakt duidelijk dat de steenkring onderdeel was van een enorm sacraal landschap.
Vondsten in de omringende grafheuvels wezen uit dat de bouwers van Stonehenge intensieve handelscontacten onderhielden met een groot deel van Europa. Dichtbij Stonehenge werd recentelijk het graf blootgelegd van een handelaar die uit het noordelijke Alpengebied afkomstig was. Stonehenge was een plek waar goederen, ideeën en religieuze gebruiken uit diverse landen
samen kwamen.

Het oudste Stonehenge dateert van 3000 voor Christus toen er een cirkelvormige greppel met aarden wal werd aangelegd. Het Stonehenge zoals wij dat kennen kwam omstreeks 1000 jaar later tot stand en bleef ruim 500 jaar in gebruik. Waarschijnlijk maakten later de keltische druïden er gebruik van bij hun seizoenvieringen. Daarna geraakte het in de vergetelheid totdat in de 12e eeuw de kroniekschrijver Geoffrey of Monmouth schreef dat de magiër Merlijn de steenkring vanuit Ierland naar zijn huidige lokatie had verplaatst. Talloze theorieën over de mogelijke bouwers passeerden in de opvolgende eeuwen de revue. De afgelopen decennia brachten archeologen de bouwfasen van Stonehenge gedetailleerd in beeld.
Sinds enige jaren vindt er op grote schaal onderzoek plaats in de wijde omgeving van het monument met verrassende resultaten. Al snel werd vastgesteld dat de bodem in en rond Stonehenge honderden graven bevatte; veel meer dan eerder voor mogelijk was gehouden. Ook bleek dat de 'blue stones ' niet zo maar uit Wales waren gehaald. Er zijn aanwijzingen gevonden dat de bouwers veronderstelden dat er geneeskrachtige werking van deze stenen uitging en verhalen daarover worden nog steeds in Wales verteld. Zeer recent zijn sporen van een 'blue stone'-henge gevonden op 900 meter afstand van Stonehenge; een ontdekking die in deze context uiterst belangrijk is.
Een andere vondst die onlangs de internationele pers haalde bestond uit sporen van een houten
cirkel nabij de Avon. Zoals gezegd werden de 'blue stones' via dit riviertje aangevoerd. Rivieren waren bij de Kelten en misschien ook al bij de bouwers van Stonehenge toegangspoorten tot de Andere Wereld. Het is dan ook niet voor niets dat de processieweg die bij de 'heelstone' van Stonehenge begon met een grote boog bij de Avon uitkwam.
Stonehenge blijkt niet alleen maar aangelegd te zijn om de seizoenen in steen te kunnen markeren en evenmin was het vooral bedoeld als 'symbol of power' van de lokale machthebbers van destijds. In Stonehenge werden leven en dood vorm gegeven in steen, hout en aarde en zo kreeg ook het omringende landschap gestalte.

vrijdag 24 januari 2014

MOERASSEN GEVEN HUN GEHEIMEN PRIJS

Na de laatste ijstijd, die omstreeks 8300 voorChristus ten einde liep, ontstonden in de vlakke en lagere delen van Drenthe grote moerasgebieden. Dit kon gebeuren omdat een ondoorlatende keileemlaag in de ondergrond, gevormd tijdens een eerdere ijstijd, een goede afwatering verhinderde.
Sinds de komst van de hunebedbouwers, ongeveer 3500 voor Christus, werden moerassen door de bewoners van deze streken gezien als bijzondere plaatsen; geheimzinnig door hun ontoegankelijkheid en dodelijk voor onvoorzichtige betreders. Alhoewel men er na verloop van tijd in slaagde om houten palenwegen door het veen aan te leggen en contact kreeg met de bewoners van de andere kant bleef het moeras een plaats waar de grens tussen leven en dood tastbaar en voelbaar aanwezig was. Men kon door onvoorzichtigheid of overmoed op vreselijke wijze erin omkomen, hetgeen ongetwijfeld ook wel eens in het bijzijn van getuigen gebeurde. Welke betekenis men het moeras ook toeschreef, men had er respect voor en drukte dat duizenden jaren lang uit in offergaven.

Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw werden de Drentse veengebieden systematisch afgegraven en ontgonnen. Daarbij kwamen regelmatig opzienbarende zaken aan het licht: houten wagenwielen, stelen van stenen bijlen, potten van aardewerk, stenen werktuigen, een halssnoer met kralen van tin, barnsteen en faience, enzovoort. De meeste voorwerpen bleken al duizenden jaren geleden in het moeras terecht gekomen te zijn en waren wonderbaarlijk goed geconserveerd. Vooral vondsten van organische samenstelling hadden hier de tand des tijds goed doorstaan in tegenstelling tot indentieke vondsten in de omringende zandgronden die geheel of gedeeltelijk vergaan danwel nauwelijks herkenbaar waren.

Uiteraard vormen de veenlijken de bekendste moerasvondsten. Vrijwel gave exemplaren kwamen in Denemarken aan het licht; die van Drenthe zijn wat minder goed geconserveerd. Door hernieuwd wetenschappelijk onderzoek en toegepaste technologie kon het uiterlijk en korte leven van het 'meisje van Yde' gereconstrueerd worden. Of het bij veenlijken om offers gaat is moeilijk vast te stellen. De Romeinse schrijver Tacitus, maar ook Caesar en Diodorus van Sicilië vermelden dat mensenoffers bij de Kelten en Germanen vrij algemeen waren. Tacitus schrijft dat bij de Germaanse stam der Semnonen slaven, na afloop van een aan de vruchtbaarheidsgodin gewijde rondrit, in het moeras werden verdronken.
Op grond van de onderzochte maaginhoud van enige veenlijken, waarbij geen zomer- of herfstvruchten werden gevonden, meende de Deense archeoloog Glob dat de offers in het voorjaar moeten hebben plaatsgevonden. In het noorden van Schotland en op de Hebriden was het tot in de 18e eeuw gebruikelijk om bij het begin van de zomer het feest van Beltane te vieren. Daarbij werd een plat stuk brood in stukken gebroken en verdeeld.
Wie een aangebrand stuk ontving, werd tijdens het feest als dood beschouwd. Frappant is dat in de maag van een in dat gebied gevonden veenlijk een brok aangebrand brood is aangetroffen.
Tacitus schrijft voorts dat ook lafaards, mannen die zich aan het gevecht onttrokken, en homoseksuelen, in het moeras werden geworpen om daarna met vlechtwerk te worden overdekt.
Op veel veenlijken zijn sporen van geweld gevonden, zoals een doorgesneden keel, een wurgtouw en bij vrouwen een kaal geschoren hoofd. Vrouwen worden ook meerdere malen zonder kleding aangetroffen.
In een aantal gevallen werden de slachtoffers met houten staken in de bodem vastgepind, wellicht om te voorkomen dat zij zouden terugkeren naar het land der levenden. In andere gevallen blijken de lichamen liefdevol te zijn neergelegd en moeten we aan echte offers denken.

In1957 werden bij Bargeroosterveld, ten oosten van Emmen, resten van een klein cultusgebouwtje uit de Midden Bronstijd(ca.1500 voor Christus) gevonden. Het lag ooit in een moeras, enige honderden meters verwijderd van een planken voetpad uit dezelfde periode, en bestond uit een houten constructie, op een vloertje van zand, die omringd was door veldkeien. In twee funderingsplanken waren acht palen geplaatst die een bovenbouw met hoornvormige uitsteeksels droegen. Binnen deze constructie bevonden zich nog vier lage palen waarop mogelijk een doodskist gerust heeft. Het gaat hier om een op zichzelf staande vondst waarvan geen andere voorbeelden bekend zijn. Bij het tempeltje werden geen voorwerpen aangetroffen, doch in de directe omgeving is sprake van een opmerkelijke concentratie van belangrijke offervondsten.

Tot op heden wordt algemeen aangenomen dat voor- en vroeghistorische veenvondsten bij uitstek in Drenthe werden aangetroffen. Van een rijke, gevarieerde concentratie is in deze provincie inderdaad sprake, maar met die vaststelling is decennia lang voorbij gegaan aan het feit dat ook elders in het midden en oosten van ons land vondsten uit voormalige moerassen tevoorschijn zijn gekomen.
Zeker, ze zijn meestal minder spectaculair dan de vondsten uit Drenthe en hebben dientengevolge ook minder publicitaire aandacht gekregen, maar representateren dezelfde tradities die in prehistorisch Drenthe gangbaar waren: offers in venen, gebieden waar de grens tussen leven en dood vaag werd, een soort 'twilight zone'.
In Drenthe bestond al vroeg belangstelling voor overblijfselen uit het verre verleden waardoor veel vondsten voor verdwijning behoed konden worden. In Overijssel en de Achterhoek was men in de vorige eeuw vooral aangewezen op onderzoek dat het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden instelde en daar beschikte men zeer lang slechts over een archeoloog die het hele land af moest reizen om vondstmeldingen na te trekken. Hoewel daarbij in de loop van de tijd een beperkt aantal veenvondsten kon worden veiliggesteld moet er toch vooral bij de grote ontginningen in de Achterhoek veel verloren zijn gegaan. Bekend is bijvoorbeeld dat in het Goor bij Aalten veen bronzen voorwerpen zijn aangetroffen waarvan sindsdien elk spoor ontbreekt.

Op de hoge, droge Veluwe bestonden slechts kleine moerassen die in de 19e eeuw min of meer geruisloos werden ontgonnen. Door bestudering van veldnamen zijn ze nog redelijk goed te lokaliseren. Denk daarbij aan namen met de voor- of achtervoegsels del(dal) en side(syde=laag) of duidelijke moerasnamen als veen, broek, ooi, goor, mars(ch) of mers(ch en somp of sump. Wanneer we deze veldnamen in kaart brengen en daarop vervolgens vondstgegevens uit archeologische archieven projecteren, kunnen we nagaan of Veluwse moerassen in het verleden als offerplaats gediend hebben.
De eerste aanwijzing voor deze veronderstelling was een bronzen kokerbijl die ik aantrof in de verzameling van een amateur-archeoloog, die enige decennia lang op de Noordwest-Veluwe actief was geweest. Kokerbijlen werden in de Late Bronstijd(1100-700 v.C) in grote delen van Europa vervaardigd. Het noorden van ons land kende in die tijd een eigen bescheiden bronsindustrie. Het bijltype dankt zijn naam aan de holle vorm, die op de zijtak van een hoofdsteel kon worden bevestigd en met behulp van touw door het oortje werd vastgesnoerd. Zeldzaam zijn deze bijlen niet en het was dan ook meer de naam van de vindplaats die mijn belangstelling wekte: het Uddelerveen. Bij nader onderzoek bleek mij voorts dat in dit veen, reeds in de 19e eeuw, ook nog twee bronzen halsringen waren gevonden.
Op een toeristische kaart van de Veluwe zullen we het Uddelelerveen niet aantreffen, wel de naam van het dorpje Uddel dat midden op de Veluwe gelegen is. Hoog en droog gebied, zou je geneigd zijn te denken, maar de schijn bedriegt.
Even ten westen van Uddel liggen het Uddelermeer en het Bleke Meer. Beide plassen ontstonden in de laatste ijstijd toen zich hier in de bevroren ondergrond twee grote ijsmassa's hadden gevormd. Toen deze na de ijstijd waren gesmolten bleven er min of meer ronde depressies over die gevuld raakten met water. Aan de oever van het Uddelermeer vestigden zich later boeren van de trechterbekercultuur(de hunebedbouwers) en omstreeks 2500 voor Christus wierpen de bekermensen hier een grafheuvel op. Het Uddelerveen ontdekken we op een topografische kaart even ten noorden van het Blekemeer. Volgens de legenda bestaat het gebied nu uit weilanden. In de eerste helft van de 19e eeuw was het Uddelerveen echter nog een moeras.
Over de vondstomstandigheden van de kokerbijl is helaas niets bekend en het is een beetje speculatief om op grond van slechts een vondst de veenofferstraditie van Drenthe dan ook maar meteen op de Veluwe te veronderstellen.
Een tweede vondst lijkt echter ook in dit beeld te passen en wel het bronsdepot dat op het landgoed de Dellen bij Heerde is aangetroffen. Een bronsdepot is een groepje opzettelijk bijeen begraven bronzen werktuigen, wapens en/of wapens en sieraden. Sommige bronsdepots zijn door de eigenaar in noodsituaties aan de aarde toevertrouwd; de veendepot kunnen daarentegen gezien worden als offerdepots.
Ik gaf reeds aan dat de veldnaam 'del(len)' duidt op laaggelegen land. In dit geval is de exacte vindplaats bekend en wanneer ik deze locatie projecteer op een oude topografische kaart blijkt zich hier een piepklein moerasje bevonden te hebben.
Het bronsdepot dateert wederom uit de Late Bronstijd en bestaat uit een lanspunt, twee lansschoenen(die de onderzijde van de lanssteel verstevigden) en twee merkwaardige sieraden die de archeologen gemakshalve kledingnaalden genoemd hebben. Beide bestaan uit lange breinaaldachtige stelen met aan het uiteinde een holle bol waarin op onregelmatige afstanden gaatjes zijn aangebracht. In de bol bevindt zich een stukje brons dat tegen de bolwand aantikt wanneer het voorwerp heen en weer bewogen wordt. Ik wil niet uitsluiten dat het hier inderdaad om kledingnaalden gaat maar kan me ook heel goed voorstellen dat deze sieraden een rituele functie hebben gehad.
In Nederland zijn dergelijke vondsten uiterst zeldzaam en gezien het veelvuldig voorkomen ervan in verschillende delen van Duitsland, Zwitserland en Oost-Frankrijk,lijkt de conclusie gewettigd dat ze destijds uit een van deze gebieden geïmporteerd moeten zijn. Het depot van de Dellen mag zonder twijfel beschouwd worden als een offervondst.

De overgang van de stuwwal van de oostelijke Veluwe naar de aangrenzende IJsslvallei wordt gekenmerkt door steile hellingen. Tal van veldnamen in de vallei illustreren dat grote gebieden hier in het verleden een nat milieu kenden en er zullen ook zeker moerassen zijn geweest. De ontginning darvan vond niet eerder dan in de 19e eeuw plaats. Ondanks het ontbreken van prehistorische nederzettingen zijn toch her en der wat gebruiksvoorwerpen en sieraden uit de Bronstijd gevonden. Wellicht betreft het hier veenoffers.
Hetzelfde kan gezegd worden van vondsten uit het natte milieu van de Gelderse Vallei dat aan de westelijke Veluwe grenst. Ook hier kunnen vermoedens over veenvondsten geopperd worden.
In ieder geval mogen we aannemen dat het offeren van voorwerpen(en mensen?) in het veen niet uitsluitend in Drenthe plaatsvond. In Overijssel en de Achterhoek was dat vrijwel zeker ook het geval en ik verwacht dat een nadere bestudering van de bronsvondsten uit uit de voormalige moerassen van en langs de Veluwe eenzelfde conclusie zal opleveren.