vrijdag 19 september 2014

DE ZWARTE GRAAL

Tijdens de Libanese burgeroorlog komen als gevolg van het strijdgeweld de resten van een unieke Phoenicische tempel aan het licht. Buitenlandse archeologen schieten te hulp om de uitzonderlijke overblijfselen te redden. Het onderzoek eindigt in een drama als de archeologen het slachtoffer lijken te zijn van een oeroude vervloeking. Na de reddingsactie van de overlevenden blijkt dat er in de tempel oude giftige schimmels zijn vrijgekomen. De opgraving heeft aanwijzingen opgeleverd over de Zwarte Graal, een mysterieus relikwie dat sinds de Oudheid een zwerftocht maakt langs gebieden waar kwade machten lijken te heersen. Twee geheime genootschappen, die elkaar al eeuwenlang op leven en dood hebben bestreden bij de speurtocht naar de meest heilige schatten uit het verleden, besluiten samen te gaan werken omdat een zeer agressieve derde partij eveneens op zoek blijkt te zijn naar de verdwenen kostbare beker: de Wrekers van Baal. Vanaf dat moment stapelen de explosieve gebeurtenissen zich op tijdens een queeste die naar Andalusië in Zuid-Spanje, Carthago in Tunesië, Zuid-Egypte, Slowakije en Transsylvanië in Roemenië voert. Uiteindelijk vindt de Zwarte Graal op onnavolgbare wijze zijn eigen weg op een manier die de wereld zal schokken... Uitgeverij ClusterEffect

woensdag 27 augustus 2014

WILD EN WOEST WAREN DE HEIDE EN HET WILDE VEEN.........

'Wild en woest en ledig was het ruwe veen. Slechts de heide vlocht er kransen over heen, boog zich over de oevers van de bruine plas en verborg de diepten van het zwarte moeras.' Heidevelden ontstonden in de tijd van de oudste landbouw, duizenden jaren geleden. Er werden honderden grafheuvels aangelegd gedurende vijftien eeuwen. Later vertrokken de boeren naar de vruchtbare rivierdalen langs de zandgronden. De grote stille heide raakte verlaten. De heidevelden werden het terrein van doortrekkende handelaren, struikrovers, wolven en witte wieven. Op en rond de heidegebieden waren veenplassen en moerassen die zich tot aan de horizon uitstrekten. Ooit werden er offer aan de goden gebracht: gebruiksvoorwerpen, wapens, sieraden en soms zelfs mensen. Tot ver in de 19e waren heidevelden en moerassen gebieden die gemeden werden. Toen kwamen er schilders en schrijvers die op doeken en geschriften hun bewondering voor deze oerlandschappen vastlegden. Voor het zover was waren er al sinds mensenheugenis geheimzinnige verhalen ontstaan over reuzen die meren hadden gegraven en hunebedden aangelegd, sompige leemkuilen waarin kloosters en kapellen waren verzonken, duivelskolken en -stenen, graven van stamhoofden uit de Bronstijd en grafheuvels waarin de witte wieven woonden............Wanneer de dagen weer korter werden en najaarsstormen en duisternis het land in hun greep kregen kroop de nevelachtige klammigheid langs boomstammen en vanuit de heidevelden en moerassen omhoog en 's avonds bescheen de maan een wit landschap waar alleen de bomen boven uitstaken. In de boerenhoeven in deze eenzaamheid waren de luiken en deuren vergrendeld en was het haardvuur hoog opgepookt Rond de vuren werden de verhalen van generatie op generatie doorverteld.Er werd ademloos naar geluisterd en iedereen wist dat het in die tijd buiten niet pluis was.

donderdag 21 augustus 2014

STEENKRINGEN, STEENRIJEN EN STENEN GRAFKAMERS IN EEN GROOT DEEL VAN EUROPA; OEROUD EN MYSTERIEUS

'Hoary and lichened by age, grim and fretted by a thousand storms, our ancient megalithic monuments are still numerous, massive and full of mystery'(Walter Hohnson, 1908) Toen ik tijdens de eerste geschiedenisles de leraar over hunebedden hoorde vertellen kreeg ik de indruk dat de bouwers als primitieve ongeletterde barbaren werden gezien. Ze mochten dan wel enorme keien kunnen verslepen en op elkaar stapelen maar verder bleek er in hun samenleving weinig te zijn wat beschaving kon worden genoemd. Ze waren boeren, gebruikten vuurstenen werktuigen en maakten versierde potten die ze meegaven aan de doden als ze in het hunebed begraven werden. Eigenlijk zou het nog 3000 jaar duren voordat er licht kwam in de prehistorische duisternis van de lage landen. Pas met de komst van de Romeinen kon er van beschaving gesproken worden. De Romeinen schreven immers en legden wegen en steden aan. De hunebedbouwers waren toen al lang vergeten en met hen alle andere mensen die hier sindsdien gewoond hadden. De prehistorie, de tijd waarin er geen geschiedenis werd geschreven, was in de vergetelheid geraakt en zou dat tot na de Middeleeuwen blijven. Het woord prehistorie werd overigens pas in de 19e eeuw voor het eerst gebruikt. Het was een soort verzamelnaam voor alles wat tot het 'heidense' verleden behoorde, oftewel de tijd die voorafging aan het Christendom. De eerste christenen wilden niets weten van de erfenis van het verleden. Heilige wouden werden omgehakt en heilige plaatsen als bronnen en grote stenen werden verboden gebied. In de 19e eeuw moest de prehistorie opnieuw worden uitgevonden. Om dat enorme tijdperk ruwweg in te kunnen delen scheidde een Deense museumdirecteur de archeologische vondsten in zijn verzameling in stenen, bronzen en ijzeren voorwerpen en werd sindsdien gesproken van steentijd, bronstijd en ijzertijd. De vroege oudheidkundigen werden keer op keer geconfronteerd met vondsten die steeds ouder bleken te zijn. Er was enorm veel weerstand tegen de ouderdom van de vondst van de eerste Neandertaler bij Dusseldorf en later tegen de ontdekking van rotsschilderijen uit de IJstijd in Frankrijk en Spanje; rendierjagers konden onmogelijk kunstenaars zijn geweest. het is nog maar een halve eeuw geleden dat de hunebedbouwers, in ieder geval in het onderwijs, gezien werden als de eerste bewoners van ons land. Nu gaan we er van uit dat de eerste mensachtigen hier al voor de ijstijden leefden Toen ik het eerste hunebed zag kon ik me niet meer voorstellen dat de bouwers primitieve barbaren waren geweest. Het bouwen van zo'n stenen graf was een enorme klus waarvoor veel organisatie nodig was. In Drenthe alleen werden er al tientallen gebouwd en dan hebben we het nog niet over de talloze identieke grafkelders die in dezelfde tijd in Noord-Duitsland, Denemarken en een deel van Polen werden aangelegd. In dit enorme gebied gebruikte men min of meer identieke gebruiksvoorwerpen en er was ook duidelijk sprake van internationale handel in vuurstenen bijlen en barnsteen . Vele jaren later kreeg ik pas werkelijk een idee van de impact van de megalithische monumenten toen ik in het Gemeentemuseum Arnhem in samenwerking met Britse-, Ierse-, Belgische-, Franse- en Duitse colega's een tentoonstelling samenstelde over 'De Fascinerende Wereld van Stonehenge'. Het bouwen met grote stenen hield namelijk niet op na de aanleg van de hunebedden; er zou nog eeuwenlang, tot diep in de Bronstijd, gesjouwd, gesleept en gebouwd worden met enorme keien en cultuurgebied wat er bij hoorde werd steeds groter. Na de hunebedbouwers kwamen de mensen van de bekercultuten die hun doden in grafheuvels begroeven. Van Ierland tot in Tjechoslowakije en van Nederland tot in Zuid-Europa werden megalithische monumenten gebouwd waarbij de klokbeker als vrijwel overal voorkomende grafgift diende. Er was sprake van uitwisseling van goederen, rituelen en grafgebruiken over duizenden kilometers. De contacten verliepen voor een belangrijk deel via de Nederlandse delta en de sacrale gebieden van Stonehenge en Avebury in Zuid-Engeland. Een handelsreiziger in die tijd zou overal in West- en Midden-Europa op bijzondere megalithische monumenten zijn gestuit: steenkringen en -rijen in Ierland, Groot Brittannie en Bretagne, stenen tempels op Malta en in alle landen alleenstaande stenen en grafkelders. Na eeuwen raakte deze wereld in verval en werden de stenen en grafheuvels steeds meer met verwonderde blikken bekeken. Hun betekenis en functie waren vergeten en naarmate de tijd voort schreed ontstonden de verhalen over een grootse, wonderbaarlijke wereld die verloren was gegaan. In Groot Brittannie en Ierland staan de stille getuigen daarvan niet alleen in bewoonde gebieden maar ook in tegenwoordig vrijwel verlaten, desolate gebieden en op dunbevolkte eilanden. Sinds de komst van de Kelten worden ze gezien als de woonplaatsen van het elfenvolk, de Tuatha de Danann, en in hun oeroude mythen wordt gesproken van de toegangspoorten naar de prachtige wereld van weleer