woensdag 9 januari 2013
DE KELTEN
In het midden van de 19e eeuw werden in het Oostenrijkse plaatsje Hallstatt bijna 900 graven blootgelegd van een bevolking die al sinds de 10e eeuw voor Christus mijnen groef in de nabijgelegen bergen waar zich kostbare zoutlagen bevonden. In de graven werden veel ijzeren wapens en werktuigen aangetroffen, zoveel dat archeologen later besloten om deze vondsten als de eerste karakteristieke bewijzen voor de IJzertijd aan te merken. Mijnwerkersgereedschappen diep uit de krochten van de aarde herinneren aan het zware werk dat hier verzet werd.
Met de vondsten uit Hallstatt traden de Kelten voor het eerst in het licht van de historie. Vanaf ongeveer 700 voor Christus zouden zij vanuit Oostenrijk en Zuid-Duitsland naar alle windrichtingen uitwaaieren, steeds verder op zoek naar nieuwe landbouwgronden. Zij vonden de ijzeren ploeg uit waardoor ook moeilijk bewerkbare bodems te lijf konden worden gegaan. Na vier eeuwen woonden hun nazaten langs alle westelijke kusten van de Atlantische Oceaan, van Ierland tot in Portugal. In het zuiden vond men hun nederzettingen tot in Noord-Italië en in het oosten tot diep in Turkije. Overal waren hun, soms kolossale heuvelforten en vorstengraven met rijke inhoud te vinden.
De Kelten waren niet uit op het stichten van een rijk. Elke stam had zijn eigen grondgebied en er was regelmatig onderlinge strijd. Zij hadden groot respect voor de hen omringende natuur die bevolkt werd door talloze goden en godinnen die in wouden, rivieren, meren en bergen huisden. Vooral in de Ierse en Welshe mythologie is veel bewaard gebleven van hun wereldbeeld en religie.
Hun lot was dat in de eeuwen waarin zij een groot deel van Europa veroverden er in het zuiden een stad was die hetzelfde doel voor ogen had: Rome.
In de eeuwen die volgden zou de strijd met de Romeinen in al hun gebieden uitbreken.
dinsdag 11 december 2012
donderdag 10 november 2011
DE ARAN ISLANDS, IERLAND
In 1907 schreef J.M.Synge over het harde, zware en vaak levensgevaarlijke bestaan van de bewoners van de Ierse Aran Islands. Hij wilde er Iers(Gaelic) leren maar de gastvrije eilanders vertelden hem ook over magische bronnen, bloedstollende belevenissen bij visvangsten in 'currachs' en slachtoffers van de druiden en de fairies'. Hij verhaalt over oeroude tradities die in zijn tijd al begonnen te vervagen. Zijn boek is een eerbewijs aan deze Kelten die duizenden jaren op de kale, barre en vlakke steenplaten in de oceaan leefden.
Een citaat:
'A week of sweeping fogs has passed over and given me a strange sense of exile and desolation. I walk round the island nearly every day, yet I can see nothing anywhere but a mass of wet rock, a strip of surf, and then a tumult of waves.
The slaty limestone has grown black with the water that is dripping on it, and wherever I turn there is the same grey obsession twining and wreathing itself among the narrow fields, and the same wail from the wind that shrieks and whistles in the loose rubble of the walls.
At first the people do not give much attention to the wilderness that is around them, but after a few days their voices sink in the kitchen, and their endless talk of pigs and cattle falls to the whisper of men who are telling stories in a haunted house.'
Tim Robinson schreef in 1986 'Stones of Aran: Pilgrimage'. De Nederlandse vertaling(2004) heet 'De Aran-Eilanden.
De auteur verbleef vele jaren op het grootste eiland en schreef over elke bron, elk bosje, elke klif, iedere steen en alle magische en heilige plekken.
Citaten van de achterflap:
'Het beste boek dat ooit door een Engelsman over Ierland geschreven is'-Independent
'Een boek als een liefdesverklaring. Een geweldige prestatie'-London Review of Books
woensdag 12 oktober 2011
MYSTERIEUZE PLEK OP LANDGOED DE BYVANCK
Dicht bij het dorpje Beek, aan de westflank van Montferland, ligt het landgoed de Byvanck. Volg vanaf Arnhem de snelweg naar Duitsland, neem de laatste afslag in Nederland naar Beek en parkeer de auto na enige honderden meters rechts bij de bosrand of op de parallelweg. Hier voert een pad het bos in. Na weer een paar honderd meter leidt een ander pad naar een geheimzinnige plek.
Eerst zie je een rond, omgracht terrein waar volgens de overlevering een sterkte van de tempelierridders zou hebben gestaan. Hier zouden ook witte wieven gezien zijn. Niet verwonderlijk, want er waren hier ooit ook prehistorische grafheuvels. Even verder vind je een 'Mariaboom', de opvolger van een oude eik waarin zich een schilderijtje van Maria bevond. Van de eik resteert nog slechts het onderste deel.
Even verder naar het oosten ligt het landhuis de Byvanck.
zaterdag 9 april 2011
dinsdag 2 november 2010
dinsdag 6 april 2010
KATO ZAKROS, EEN MINOÏSCHE PALEISRUÏNE ZONDER TOERISTEN
Ongeveer dertig jaar geleden bezocht ik de Griekse tempelruïnes bij Agrigento op Sicilië. De nog altijd indrukwekkende restanten bevinden zich op een plateau vanwaar men een prachtig uitzicht heeft op de zee die het eiland van de Afrikaanse kust scheidt. Op ongeveer 300 kilometer afstand aan de overzijde van het water lag ooit de vermaarde havenstad Carthago waarmee eerst de Grieken en later de Romeinen eeuwenlang oorlog voerden om de hegemonie van het westelijk deel van de Middellandse Zee.
Wie weet nog dat Sicilië en een groot deel van Zuid-Italië destijds vrijwel uitsluitend door Grieken bewoond werden. Hun gebied werd bezet door de Romeinen en Carthago werd na drie uitputtende oorlogen verwoest. De Middellandse Zee werd de Mare Nostrum, de zee van de Romeinen.
Aan dit alles moest ik denken toen ik jaren later vanaf Ierapetra in zuidoost-Kreta op weg was naar Kato Zagros, een minoïsch paleis in het uiterste oosten van het eiland. In tegenstelling tot de bekende paleizen als Knossos en Phaistos was het pas laat, in de jaren vijfig van de vorige eeuw, ontdekt, lag het zeer afgelegen en waren toeristen er nog uiterst zeldzaam. Mijn auto, gehuurd via een fly-drive-arrangement zou in Nederland waarschijnlijk niet door de keuring zijn gekomen maar hield zich gedurende twee weken wonderwel goed. De verhuurder op het vliegveld verspilde niet veel tijd aan de tijdelijke overdracht en riep me toe dat ik de sleutel bij terugkomst maar onder de bestuurdersstoel moest leggen; hij ging er dus vanuit dat het voertuig het wel redden zou. Een geruststellend gevoel.
Via gewone wegen naar je vakantieplaats van bestemming rijden is een ding, om vervolgens urenlang over onverharde wegen met haardspeldbochten door een bergachtig landschap zonder enige begroeiing en bewoning te rijden is wat anders. Er kwam geen eind aan en ik vroeg me regelmatig af waar ik aan begonnen was. Gelukkig was de tank vol benzine want zowel op de heen- als terugweg kwam ik geen benzinepomp tegen.
Plotseling kwam er een eind aan het door de zon droog- en levenloos gestoofde landschap. Ik zag de zee tussen de rotsachtige heuvels door aan de horizon, als een welkome azuurblauwe gloed. Er volgde een eindeloos lijkende afdaling vol haarspeldbochten waarbij de zee ineens het hele oosten bleek te vullen en de kust heel erg diep beneden mij lag.
Na ruim een kwartier eindigde de laatste bocht en even later stond ik stil bij de ruïnes van Kato Zakros. Ik draaide het contactsleuteltje om en plotseling was het vrijwel doodstil. Alleen het ruisen van de zee klonk op de achtergrond. Er was helemaal niemand, geen enkele toerist. Arwanend keek ik lang de bruine hellingen omhoog of er niet ergens een bus kwam aanrijden maar dat was niet het geval. De bomen en begroeiing reikten niet verder dan enige honderden meters landinwaarts; daarachter was alleen nog gesteente en steengruis, zover het oog reikte.
En toch was er water. Vlak bij de koninklijke vertrekken van het paleis was een uitstekend geconserveerd bekken dat gevoed werd door een bron die nog steeds stroomde. Er waren ook werkplaatsen en magazijnen, althans de vloeren en muren die er van overgebleven waren.
Het was een ongekende luxe om hier alleen rond te kunnen lopen. De lucht trilde van de hitte en ik hoorde het gesjilp van talloze krekels.
Ruim 3500 jaar geleden was het een drukte van belang rond het welvarende paleis. In de mooie baai arriveerden regelmatig schepen uit Egypte en de Levant met allerlei goederen waarop de Kretenzers dol waren. Omgekeerd stuurden zij ook hun schepen de zee op om op verre kusten handel te drijven. Eeuwenlang kenden de bewoners hier grote welvaart.
Na verloop van tijd kwamen er rampen over Kreta. Enorme vloedgolven als gevolg van een grote vulkaanuitbarsting op het noordelijker gelegen eiland Thera(Santorini) hebben mogelijk grote schade op Kreta aangericht. Ook worden invallers uit Mykene, de stad van Agamennon, als de boosdoeners gezien. Hoe dan ook, Kato Zakros verdween abrupt van de kaart. De bewoners vluchtten en keerden nooit terug. De plek werd sindsdien gemeden en er werd nooit meer gebouwd. Kato Zakros werd als laatste van de belangrijke minoïsche paleizen ontdekt in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Er kwam een overvloed aan vondsten tevoorschijn zoals geen enkel ander paleis heeft opgeleverd. Zoals op vrijwel elke vindplaats uit de antieke wereld zijn de paden en bermen bij ruïnes bezaaid met potscherven. Er zijn er zoveel dat de archeologen ze niet eens meer oprapen.
Ik keek nog lang uit over zee in een poging om me voor te stellen hoe het hier ooit was.
Ik hoop dat de overheid Kato Zagros laat voor wat het is. Geen asfaltwegen, vakantieparken en jachthavens. Voor deze plek moet je een echte ontdekkingsrit over hebben.
Wie weet nog dat Sicilië en een groot deel van Zuid-Italië destijds vrijwel uitsluitend door Grieken bewoond werden. Hun gebied werd bezet door de Romeinen en Carthago werd na drie uitputtende oorlogen verwoest. De Middellandse Zee werd de Mare Nostrum, de zee van de Romeinen.
Aan dit alles moest ik denken toen ik jaren later vanaf Ierapetra in zuidoost-Kreta op weg was naar Kato Zagros, een minoïsch paleis in het uiterste oosten van het eiland. In tegenstelling tot de bekende paleizen als Knossos en Phaistos was het pas laat, in de jaren vijfig van de vorige eeuw, ontdekt, lag het zeer afgelegen en waren toeristen er nog uiterst zeldzaam. Mijn auto, gehuurd via een fly-drive-arrangement zou in Nederland waarschijnlijk niet door de keuring zijn gekomen maar hield zich gedurende twee weken wonderwel goed. De verhuurder op het vliegveld verspilde niet veel tijd aan de tijdelijke overdracht en riep me toe dat ik de sleutel bij terugkomst maar onder de bestuurdersstoel moest leggen; hij ging er dus vanuit dat het voertuig het wel redden zou. Een geruststellend gevoel.
Via gewone wegen naar je vakantieplaats van bestemming rijden is een ding, om vervolgens urenlang over onverharde wegen met haardspeldbochten door een bergachtig landschap zonder enige begroeiing en bewoning te rijden is wat anders. Er kwam geen eind aan en ik vroeg me regelmatig af waar ik aan begonnen was. Gelukkig was de tank vol benzine want zowel op de heen- als terugweg kwam ik geen benzinepomp tegen.
Plotseling kwam er een eind aan het door de zon droog- en levenloos gestoofde landschap. Ik zag de zee tussen de rotsachtige heuvels door aan de horizon, als een welkome azuurblauwe gloed. Er volgde een eindeloos lijkende afdaling vol haarspeldbochten waarbij de zee ineens het hele oosten bleek te vullen en de kust heel erg diep beneden mij lag.
Na ruim een kwartier eindigde de laatste bocht en even later stond ik stil bij de ruïnes van Kato Zakros. Ik draaide het contactsleuteltje om en plotseling was het vrijwel doodstil. Alleen het ruisen van de zee klonk op de achtergrond. Er was helemaal niemand, geen enkele toerist. Arwanend keek ik lang de bruine hellingen omhoog of er niet ergens een bus kwam aanrijden maar dat was niet het geval. De bomen en begroeiing reikten niet verder dan enige honderden meters landinwaarts; daarachter was alleen nog gesteente en steengruis, zover het oog reikte.
En toch was er water. Vlak bij de koninklijke vertrekken van het paleis was een uitstekend geconserveerd bekken dat gevoed werd door een bron die nog steeds stroomde. Er waren ook werkplaatsen en magazijnen, althans de vloeren en muren die er van overgebleven waren.
Het was een ongekende luxe om hier alleen rond te kunnen lopen. De lucht trilde van de hitte en ik hoorde het gesjilp van talloze krekels.
Ruim 3500 jaar geleden was het een drukte van belang rond het welvarende paleis. In de mooie baai arriveerden regelmatig schepen uit Egypte en de Levant met allerlei goederen waarop de Kretenzers dol waren. Omgekeerd stuurden zij ook hun schepen de zee op om op verre kusten handel te drijven. Eeuwenlang kenden de bewoners hier grote welvaart.
Na verloop van tijd kwamen er rampen over Kreta. Enorme vloedgolven als gevolg van een grote vulkaanuitbarsting op het noordelijker gelegen eiland Thera(Santorini) hebben mogelijk grote schade op Kreta aangericht. Ook worden invallers uit Mykene, de stad van Agamennon, als de boosdoeners gezien. Hoe dan ook, Kato Zakros verdween abrupt van de kaart. De bewoners vluchtten en keerden nooit terug. De plek werd sindsdien gemeden en er werd nooit meer gebouwd. Kato Zakros werd als laatste van de belangrijke minoïsche paleizen ontdekt in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Er kwam een overvloed aan vondsten tevoorschijn zoals geen enkel ander paleis heeft opgeleverd. Zoals op vrijwel elke vindplaats uit de antieke wereld zijn de paden en bermen bij ruïnes bezaaid met potscherven. Er zijn er zoveel dat de archeologen ze niet eens meer oprapen.
Ik keek nog lang uit over zee in een poging om me voor te stellen hoe het hier ooit was.
Ik hoop dat de overheid Kato Zagros laat voor wat het is. Geen asfaltwegen, vakantieparken en jachthavens. Voor deze plek moet je een echte ontdekkingsrit over hebben.
Abonneren op:
Posts (Atom)





